4 mei herdenking Gerkesklooster Stroobos

Programma 4 mei herdenking Gerkesklooster Stroobos

De kracht van het persoonlijke verhaal

Door Arendo Joustra

De musical Soldaat van Oranje, losjes gebaseerd op het levensverhaal van Engelandvaarder Erik Hazelhoff Roelfzema, staat al langer op de planken dan de oorlog in Nederland duurde. Het dagboek van Anne Frank is nog steeds een van de meest gelezen boeken ter wereld. Dat geldt, in Nederland althans, evenzeer voor de verhalen over de fictieve hoofdpersonen uitOorlogswinter van Jan Terlouw en Oeroeg van Hella Haasse.

Het is geen wonder dat deze persoonlijke verhalen over de Tweede Wereldoorlog en de dekolonisatie van Nederlands-Indië zo populair zijn. Ze ontroeren omdat ze de essentie van het leven heel nabij brengen. Ze gaan over moed en opoffering. Maar ook over de duistere kanten van de mens. Over de dood uiteraard en over diep gevoelde ellende, pijn, angst, onmacht en vernedering. Over verraad, leugens en lafheid.

En over de geknakte levens van militairen van 19, 20, 21 lentes jong. Die nooit ouder zijn geworden. Die nooit de kans kregen hun eigen baby te horen kraaien of hun ouders te begraven. En over de miljoenen die zijn vermoord en niet eens een graf hebben.

Persoonlijke verhalen over de oorlog, elke oorlog, zijn nooit zomaar verhalen, ze staan niet op zichzelf. Er hangt de schaduw overheen van de wereldgeschiedenis. Een seconde verder en je verkeert in het nog steeds onvoorstelbare verhaal van de massamoord. Of in het verhaal over de oorlog in Nederlands-Indië. Of in een overzeese strijd in de tegenwoordige tijd, om vrouwen en meisjes te behoeden voor verkrachting, mannen voor onthoofding. Het grotere verhaal van geopolitiek en genocide. 

Van een voetnoot in een overzichtswerk, tot een eigen (auto)biografie. Zo is in de afgelopen decennia het grote verhaal over de oorlog, de verovering, de veldslagen, de jaartallen, de moorden en de uiteindelijke bevrijding, ingevuld door talloze ‘kleine’ verhalen. Samen vormen ze een mozaïek dat op geheel eigen wijze het grote verhaal nogmaals vertelt. Met als belangrijk verschil dat ze de geschiedenis aanraakbaar maken, het abstracte invoelbaar. Ze bieden een ‘historische sensatie’, zoals de historicus Johan Huizinga het noemde. En ze doen beseffen hoe het is om in vrijheid te leven, zonder nachtelijke razzia’s, zonder buigen voor een vreemde keizer.

Deze verhalen moeten worden verteld, ook zeventig jaar na dato. Steeds vaker zijn de boeken die over de Tweede Wereldoorlog verschijnen, biografieën, familieverhalen en memoires. Zuiver particuliere geschiedenissen dus. Soms uitgegeven ‘in eigen beheer’, zoals in 2016 Onderduiken doe je zo van Fred Stranders. Of als verhaal in een bundel, zoals De executie van oom Koen, waarin journalist Simon Rozendaal beschrijft hoe de broer van zijn vader op 16 juli 1944 in de duinen bij Overveen standrechtelijk werd geëxecuteerd vanwege zijn deelname aan het verzet. Of als onderdeel van een autobiografie, zoals de herinneringen van acteur Willem Nijholt, die in Een ongeduldig verlangen in een paar pagina’s indringend het leven in een jappenkamp schetst, het plezier van de bewakers bij het doodslaan van vrouwen, en zijn bibberende aankomst in grijs Nederland.

Die sterke drang om het persoonlijke verhaal te vertellen, is begrijpelijk. Oorlogen definiëren het bestaan van individuen en families, maar ook van naties. In zijn beroemde rede Wat is een natie? stelt de Franse historicus en filosoof Ernest Renan (1823-1892) dat een natie weinig met ras, taal of religie te maken heeft. Samen kunnen terugkijken op een gedeeld verleden en bereid zijn ook samen in de toekomst te leven, is volgens hem van veel groter belang.

Volgens Renan gaat het bij een natie om solidariteit. ‘Zij veronderstelt een verleden, maar openbaart zich in het heden in de concrete bereidheid, de duidelijk verwoorde wens, om het leven gezamenlijk voort te zetten.’ 

Nergens heb ik deze stelling van Renan mooier verwoord gezien dan in de autobiografie van Golda Meir, Mijn leven. Daarin vertelt de voormalige premier van Israël hoe vlak na de oorlog, ondanks een Britse blokkade, op de stranden bij Tel Aviv de schepen arriveerden met de overlevenden uit de kampen. En hoe jongens en meisjes die in het nieuwe land waren geboren, de wilde zee inliepen ‘en hun leven riskeerden’. Meir: ‘Ze waadden door de golven om de boten te bereiken en droegen de Joden op hun schouders aan wal. En uit de mond van de Joden die werden gedragen, heb ik gehoord hoe ze voor het eerst huilden; na alles wat ze zeven jaar lang in Europa hadden doorstaan.’

De opdracht van Renan om bereid te zijn met alle inwoners het leven samen voort te zetten, geldt ook voor Nederland. Anders wordt het niks met deze natie. 

Het steeds weer vertellen van verhalen over de oorlog, welke oorlog dan ook, helpt daarbij. In elke stad, elk dorp, elke gemeente is dit mogelijk. Door elk jaar op 4 mei en op de andere geëigende data de persoonlijke oorlogsverhalen van inwoners te vertellen. Daarbij kunnen de sociale media worden ingezet. Die stimuleren mensen immers om zelf verhalen uit de familie op te sporen, vast te leggen en door te vertellen.

Heeft niet elke familie haar eigen verhaal, uitvergroot of niet? Soms heeft iemand een ‘tik’ overgehouden aan de oorlog, zoals mijn vader, die laarzen niet kon velen omdat hij als student zag hoe gelaarsde agenten de Joden in Amsterdam uit hun huizen haalden. Of zoals de schoonmaakwoede van de moeder van een vriend die de jappenkampen heeft overleefd.

Dat een oorlog behalve het beste ook het slechtste in mensen naar boven kan halen, leerde ik begin jaren zeventig op de middelbare school. Wekenlang besteedde geschiedenisleraar Smallegange om te vertellen over Jodenvervolging, de vernietigingskampen en de nazi's. Om aan het slot de klas te verbijsteren met de mededeling dat onder de kampbeulen natuurlijk sadisten zaten, maar dat hij ons allen in staat achtte kampbeul te worden. Dat de meeste mensen geen helden zijn, dat straf en beloning je een bepaalde richting uit kunnen sturen en dat het laagje beschaving maar heel dun is. Het bleek een levensles te zijn, die columnist en essayist Bas Heijne aan het slot van zijn in 2016 verschenen boek Onbehagenzo formuleert: ‘Hoed je voor de barbaar in je omgeving. En voor de barbaar in jezelf.’

Ook krampachtig zwijgen is een verhaal. Niet kunnen praten over de vermoorde familie, een nimmer teruggekeerde geliefde. Of uit schaamte. Of vanwege een muur van onbegrip bij familie of vrienden die het allemaal niet hebben meegemaakt, voor wie ‘vredesmissie’ alleen een woord is in het televisienieuws.

Wat dit betreft moet de beroemde dichtregel van Leo Vroman ‘Kom vanavond met verhalen’ niet alleen als hartekreet worden gezien, maar ook als opdracht. Zonder gedeelde geschiedenis geen gedeelde toekomst. We moeten de verhalen blijven vertellen, blijven delen. Tot alle getallen weer zijn veranderd in namen. Dat is de waarde van gedenken.